ShadowEcho › Shadowing practice › Dutch
Learn to Speak Dutch with 100 Basic Sentences | Shadowing Dutch Speaking Practice
Dutch shadowing practice · 210 sentences · 17:47 long · 1177 words

About this practice session
This page turns the YouTube video “Learn to Speak Dutch with 100 Basic Sentences | Shadowing Dutch Speaking Practice” into a Dutch shadowing exercise. The recording is split into 210 short sentences that you can play one at a time, repeat after the speaker and record your own version for automatic pronunciation scoring.
The speaker talks at about 67 words per minute, a slow pace, with an average of 5.6 words per sentence. That makes it a good choice for beginners and for working on individual sounds.
How to practise with this video
- Play the first sentence and listen while reading the transcript. Notice the stress, the pauses and where the intonation rises or falls.
- Replay it and speak along with the speaker, copying the rhythm rather than reading word by word.
- Record yourself straight after the original. ShadowEcho scores each word for accuracy, fluency and completeness.
- Compare your recording with the original, retry the words marked in red, then move on to the next sentence.
- Practise 10–15 minutes a day. Coming back to the same video after a few days is an easy way to measure progress.
Transcript (Dutch)
- Hallo!
- Welkom terug bij je dagelijkse taaloefening!
- In deze video spreek je 100 Nederlandse zinnen die je elke dag nodig hebt.
- Deze zinnen zijn perfect voor beginners.
- Ik zeg een zin en jij spreekt na.
- Ik zeg elke zin twee keer.
- Zet de ondertitels aan om alles beter te begrijpen.
- Ben je klaar?
- Hallo, mijn naam is Marcus.
- Hallo, mijn naam is Marcus.
- Oorspronkelijk kom ik uit Spanje.
- Oorspronkelijk kom ik uit Spanje.
- Ik woon nu in Nederland.
- Ik woon nu in Nederland.
- Ik leer elke dag Nederlands.
- Ik leer elke dag Nederlands.
- Ik luister graag naar muziek.
- Ik luister graag naar muziek.
- Ik werk van maandag tot vrijdag.
- Ik werk van maandag tot vrijdag.
- Ik begrijp Nederlands.
- Ik begrijp Nederlands.
- Mijn familie woont in Barcelona.
- Mijn familie woont in Barcelona.
- Mijn familie woont in het centrum.
- Mijn familie woont in het centrum.
- Ik ben in Barcelona opgegroeid.
- Ik ben in Barcelona opgegroeid.
- Ik heb een broer en een zus.
- Ik heb een broer en een zus.
- Mijn broer is jonger en mijn zus is ouder.
- Mijn broer is jonger en mijn zus is ouder.
- Mijn broer is 40 jaar oud.
- Mijn broer is 40 jaar oud.
- Mijn broer werkt in de marketing.
- Mijn broer werkt in de marketing.
- Mijn vader is boer.
- Mijn vader is boer.
- Mijn vader werkt elke dag.
- Mijn vader werkt elke dag.
- Mijn ouders zijn gescheiden.
- Mijn ouders zijn gescheiden.
- Mijn moeder werkt in een supermarkt.
- Mijn moeder werkt in een supermarkt.
- Mijn moeder is gelukkig.
- Mijn moeder is gelukkig.
- Mijn oma is helaas overleden.
- Mijn oma is helaas overleden.
- Mijn opa gaat elke dag naar de markt.
- Mijn opa gaat elke dag naar de markt.
- Ik woon al 5 jaar in Nederland.
- Ik woon al 5 jaar in Nederland.
- Ik heb veel doelen in het leven.
- Ik heb veel doelen in het leven.
- Reizen vind ik leuk.
- Reizen vind ik leuk.
- Volgend jaar wil ik een wereldreis maken.
- Volgend jaar wil ik een wereldreis maken.
- Ik wil naar Peru, Amerika en Australië reizen.
- Ik wil naar Peru, Amerika en Australië reizen.
- Ik spaar elke dag geld.
- Ik spaar elke dag geld.
- Ik speel graag gitaar.
- Ik speel graag gitaar.
- In het weekend ontmoet ik vrienden.
- In het weekend ontmoet ik vrienden.
- Ik woon in een klein appartement.
- Ik woon in een klein appartement.
- Mijn vriendin woont in een groot appartement.
- Mijn vriendin woont in een groot appartement.
- Mijn appartement is goedkoop.
- Mijn appartement is goedkoop.
- We zijn een gelukkig stel.
- We zijn een gelukkig stel.
- We zijn sinds 2 jaar getrouwd.
- We zijn sinds 2 jaar getrouwd.
- Mijn vriendin is zwanger.
- Mijn vriendin is zwanger.
- Ik word vader.
- Ik word vader.
- Ik heb veel vrienden in Amsterdam.
- Ik heb veel vrienden in Amsterdam.
- Ik kijk graag naar horrorfilms.
- Ik kijk graag naar horrorfilms.
- Ik houd niet van bordspellen.
- Ik houd niet van bordspellen.
- Elke woensdag speel ik basketbal.
- Elke woensdag speel ik basketbal.
- Elke zondag ga ik naar de kerk.
- Elke zondag ga ik naar de kerk.
- Eén keer per jaar ga ik skiën.
- Eén keer per jaar ga ik skiën.
- Ik geef elke dag mijn planten water.
- Ik geef elke dag mijn planten water.
- Ik heb veel vrienden in Amsterdam.
- Ik breng graag tijd door met mijn vrienden.
- Ik breng graag tijd door met mijn vrienden.
- Soms ga ik uit.
- Soms ga ik uit.
- Maar het liefst ben ik thuis.
- Maar het liefst ben ik thuis.
- Mijn werk is soms stressvol.
- Mijn werk is soms stressvol.
- Soms ben ik moe.
- Soms ben ik moe.
- Maar mijn werk vind ik leuk.
- Maar mijn werk vind ik leuk.
- Ik werk graag met mensen.
- Ik werk graag met mensen.
- Mijn leerlingen zijn slim.
- Mijn leerlingen zijn slim.
- Ik sta elke dag om 6 uur op.
- Ik sta elke dag om 6 uur op.
- Ik ontbijt elke ochtend.
- Ik ontbijt elke ochtend.
- 's Ochtends eet ik brood en drink ik koffie.
- 's Ochtends eet ik brood en drink ik koffie.
- Mijn lichaam is gezond.
- Mijn lichaam is gezond.
- Ik rook geen sigaretten.
- Ik rook geen sigaretten.
- Ik drink weinig alcohol.
- Ik drink weinig alcohol.
- Ik eet veel fruit en groenten.
- Ik eet veel fruit en groenten.
- Ik schrijf elke dag 5 Nederlandse zinnen.
- Ik schrijf elke dag 5 Nederlandse zinnen.
- Dan voel ik me wakkerder.
- Dan voel ik me wakkerder.
- 's Avonds ga ik slapen.
- 's Avonds ga ik slapen.
- Mijn bed is comfortabel.
- Mijn bed is comfortabel.
- Ik hou van slapen.
- Ik hou van slapen.
- 's Nachts heb ik veel dromen.
- 's Nachts heb ik veel dromen.
- Vandaag is het koud.
- Vandaag is het koud.
- Vandaag is de hemel grijs.
- Vandaag is de hemel grijs.
- Het weer is vandaag wisselvallig.
- Het weer is vandaag wisselvallig.
- Ik open het raam.
- Ik open het raam.
- Gisteren scheen de zon.
- Gisteren scheen de zon.
- Morgen gaat het regenen.
- Morgen gaat het regenen.
- Ik heb honger.
- Ik heb honger.
- Ik kijk op mijn telefoon.
- Ik kijk op mijn telefoon.
- Ik denk aan mijn familie.
- Ik denk aan mijn familie.
- Ik mis mijn familie.
- Ik mis mijn familie.
- Ik luister naar muziek op de achtergrond.
- Ik luister naar muziek op de achtergrond.
- De muziek maakt mij rustig.
- De muziek maakt mij rustig.
- Soms denk ik diep na.
- Soms denk ik diep na.
- Soms ben ik erg gemotiveerd.
- Soms ben ik erg gemotiveerd.
- Ik heb vandaag goede zin.
- Ik heb vandaag goede zin.
- Gisteren was ik verdrietig.
- Gisteren was ik verdrietig.
- Ik had een fijne kindertijd.
- Ik had een fijne kindertijd.
- Ik hou ervan om met de fiets te rijden.
- Ik hou ervan om met de fiets te rijden.
- Ik ga graag naar de stad om te winkelen.
- Ik ga graag naar de stad om te winkelen.
- Ik vind het niet leuk als de stad druk is.
- Ik vind het niet leuk als de stad druk is.
- Ik spreek elke dag Nederlands in de stad.
- Ik spreek elke dag Nederlands in de stad.
- Ik volg een taalcursus.
- Ik volg een taalcursus.
- Ik drink 's ochtends graag thee.
- Ik drink 's ochtends graag thee.
- Ik neem vaak de metro.
- Ik neem vaak de metro.
- Soms kom ik te laat.
- Soms kom ik te laat.
- Ik wacht bij de halte.
- Ik wacht bij de halte.
- Ik koop graag vers brood.
- Ik koop graag vers brood.
- Ik bel met een vriend.
- Ik bel met een vriend.
- Ik schrijf een kort bericht.
- Ik schrijf een kort bericht.
- Ik begrijp niet alles meteen.
- Ik begrijp niet alles meteen.
- Ik vraag het nog eens.
- Ik vraag het nog eens.
- Ik maak notities.
Showing the first 200 of 210 sentences. Open the practice tool to go through all of them.
The original video belongs to its creator: watch it on YouTube.